Adelaide, Australie

October 29, 2009

In De Postkoets escorteert Lucky Luke een diligence van Texas naar San Fransisco, een gevaarlijke reis dwars door het Wilde Westen. Indianen, coyotes, allerhande schavuiten en natuurlijk de onverbeterlijke Daltons waren slechts enkele van de gevaren die de karavaan moest trotseren, en de passagiers bevonden zich dan ook in een permanente toestand van stress. Men was nog nauwelijks op weg of de spanningen in de postkoets bereikten gevaarlijke hoogten, verraad en revolvers all over the place.
Vladimir Iljitsj Oeljanov – later bekend als Lenin – vader van de Russische Revolutie, verliet in 1917 per trein zijn ballingsoord Zurich om in Moskou de opstand te leiden en de tsaar te onttronen. Niemand aan boord wist of de Duitsers de trein vol bolsjewistisch intellect doorgang door bezet Oost-Europa zouden verlenen, hetgeen de sfeer in de trein niet ten goede kwam. Mede gevoed door vodka en intrige bleek de sfeer in de coupe, in feite het eerste stuk ‘bevrijde’ Rusland, explosiever dan de slagvelden en nasmeulende steden die men doorkruiste.
Leermoment: niet de omgeving maar het reisgezelschap maakt een tocht onherbergzaam.

Ik was dus gewaarschuwd toen ik in Townsville in de auto stapte voor een tocht van 2500 kilometer, dwars door de Outback. Bestemming: Alice Springs. Reisgezelschap: Duits en even onervaren als ik voor wat betreft meerdaagse woestijngeraleerde autoritten. Op de avond voor vertrek raakten we in gesprek met een Australier, ex-trucker, die ons met zijn verhalen zowel enthousiast als een tikje angstig maakte voor de roadtrip die ons te wachten stond. De man was tegenwoordig mijnwerker te Rockhampton trouwens. Is er qua plaatsnaam een betere plek denkbaar om mijnwerker te zijn?
Maar alles kwam goed. Honderden kilometers door volstrekte leegte, en eindloos rechte wegen die slechts werden onderbroken door nederzettingen die op de kaart heel wat leken, maar in feite slechts een benzinestation, een pub en een handvol boerderijen omvatten. Nu en dan kwamen er flarden van muziek uit de autoradio, veelal lokale christelijke piratenzenders, een scene waarbinnen Sixpence None the Richer nog altijd alive and kicking bleek. Overweldigende sterrenhemels ‘s nachts en temperaturen van boven de 40 graden overdag. En na Alice Springs volgde een nieuwe tocht, zuidwaarts richting Port Augusta, intussen werd niet meer gekeken om 500 kilometer meer of minder.

Zondagavond in Port Augusta, het begon donker te worden en ik had zojuist afscheid genomen van mijn Duitse reisgezelschap. Zij gingen namelijk immer gerade aus in de richting van Sydney.
Port Augusta bleek verdomd uitgestorven op zondagavond. Een snackbar, een dorpsplein met monument voor de gevallenen, een makelaarskantoor, een pub annex hotel op de hoek. Ik bevond me, met alle respect, in het Didam van Australie. De herbergier bleek vatbaar voor mijn lichtverwilderde voorkomen (resultaat van zeven dagen Outback) en bood me zijn goedkoopste kamer tegen reduceerd tarief. Het reisvirus is niet wijdverspreid onder de Port Augustijnen, maar de stamgasten wilden graag mijn verhalen horen en boden me een glas.

En dus vertelde ik ze over Byron Bay, waar ik met mijn Zweedse kamergenoot Thor Stallehammer (goede mijnwerkersnaam) het plan opvatte om te gaan straatmuzikanten voor de Woolworths, de Australische Hoogvliet (ja Daniel, met 1 klein verschil). Afwisselend Guitar/vocals: Thor, Guitar/Harmonica: Joppe. De setlist van de bliksemsessie bestond uit Pink Floyd en Neil Young, de opbrengsten bleven jammerlijk op de brilstand steken.
En ik vertelde ze over mijn eerste surfervaring, in Noosa, en hoe ik na mijn zoveelste onzachte landing in de branding de moed bijna opgaf en mezelf voorhield dat surfen gewoon niet mijn ding was. Ik besloot dat de mens vooral moet doen waar hij goed in is (in mijn geval is dat op een stoel zitten, een boek lezen en naar Bob Dylan luisteren) en moet laten waarvoor hij ongeschikt is (in mijn geval: surfen en surfdude-gedrag). Gelukkig ging het later beter en heb ik de nodige waves gecracked en wells gecrouched.

Op het moment van schrijven ben ik in Adelaide, loerend op een lift westwaarts. Die lift had ik bijna te pakken, totdat de potentiele reisgenoten me hun auto lieten zien. Geen airco, geen radio, geen achterbank. Prettige rit naar Perth, dik 3000 kilometer door een van de meest afgelegen gebieden van Australie. En had ik al verteld dat ze Taiwanees waren, nauwelijks Engels spraken, mijn goede, cultureel geengageerde humor daarom niet goed (lees: verkeerd) opvatten en van plan waren vijf nachten in hun autostoel te slapen? Ik heb bedankt voor de eer.

Of ik Perth zal bereiken in de twee maanden die mijn reis nog duurt weet ik niet. De plannen wijzigen per dag, dus we zien wel. Wel heb ik me vooorgenomen mijn blog vaker bij te werken, want op deze manier gaan vele bijzondere anekdotes verloren in de troebele wateren mijns geheugens. Enfin, ik deel ze graag met een ieder als ik weer in Nederland ben!

Veel groeten namens staf en bezoekers van de State Library of South Australia. Alle goeds en tot snel!

Byron Bay, Australie

September 26, 2009

We zijn in Australie, al ruim twee weken, dus laat de clichees maar komen. Ik zou nu kunnen zwichten voor de verleiding Australie te beschrijven in termen van indrukwekkende vergezichten, heldere sterrenhemels, eindeloze zandstranden, gemoedelijke locals en hoge prijzen. Hoe heerlijk Sydney is, hoe blauw haar baai en hoe wit haar Opera House.
Of dat ik gisteren aan het eind van de middag op het meest oostelijke punt van Australie stond, onder de vuurtoren van Cape Byron. En dat er een walvissenpaar, bezig aan een duizenden kilometers lange voorjaarsmigratie, onder mijn oog voorbijzwom en zich op zoek naar zuidelijker oorden weer even helemaal walvis voelde. Het boek dat ik op dit moment lees ging over 17e-eeuws Valparaiso, een Chileense havenstad (zijn er in Chili ook steden zonder haven?). Als de aarde plat was geweest, een idee dat in die tijd nog menig pleitbezorger kende, zou ik het pakweg vijftienduizend kilometer oostwaarts gelegen Valparaiso vanaf hier kunnen zien. Maar goed, dat is niet zo dus daar gaan we het niet over hebben.
Nee, dan het ritme waarop Byron Bay in de ontluikende Australische lente de dag doordeint. Vanaf de achterkant van mijn hostel loopt een pad tussen de struiken, over een al sinds eerdergenoemde zeventiende eeuw niet meer bereden spoorlijn, over de duinen naar de zee. Afhankelijk van windrichting en mate van beschonkenheid schijnt de wandeling hostel-branding tussen de 45 en 75 seconden te duren.
En dan, als de avond valt en de temperatuur zakt, sleept menig backpacker zich, al dan niet via de barbecue, naar het avondlijk vertier in Byron. In hun jacht naar drinkvolk concurreren kroegen met namen als Cheeky Monkey’s en Cocomango’s elkaar naar messcherpe prijzen. Byron Bay is het soort plaats waar reisplannen worden omgegooid om maar zo lang mogelijk in de lieflijke loomheid te mogen blijven hangen.
Lieflijk ben ik wel, maar loom niet, dus maak ik morgen de oversteek van New South Wales naar Queensland, en hoop mijn volgende verslag in Brisbane te kunnen schrijven!

Thailand

September 8, 2009

Bijna een maand vormde Bowo (echte naam nog altijd bij de redactie bekend) de coverstory van mijn site. En hoe onderhoudend ‘s mans verhaal ook, en hoe karakteristiek zijn tronie: het wordt tijd voor een novum. De lange stilte op mijn site kan op allerlei manieren worden geinterpreteerd, en wordt dat ook, en dat is allemaal prima…zolang er maar niet gedacht wordt dat ik niets schrijfwaardigs beleef. Tussen 1963 en 1985 vond er geen Elfstedentocht plaats, maar wil dat zeggen dat er in de tussentijd niet geschaatst werd? Me dunkt van niet. En zo is het ook met mijn reis. Jullie, mijn kleine maar trouwe lezerspubliek, zijn de naar nieuwe schaatsfolklore hongerende massa, en ik ben de weergod die beslist over ijs en weder.
Voor een representatieve samenvatting van vier weken in Thailand ontbreekt het mij te zeer aan een fotografisch geheugen, dus bij voorbaat mijn excuses voor de onsamenhangendheid in het navolgende verhaal.

Eerste dingen het eerst: iedereen heel erg bedankt voor de leuke reacties op mijn verhalen. De berichtjes en mailtjes zijn erg welkom, al wil een reactie mijnerzijds nog al eens op zich laten wachten. Een eervolle vermelding in de categorie ‘Onzinnige maar Welkome SMS-Berichten’ verdient Bas Aalbers. Tijdens zijn maanden in Luxemburg heeft Bas een geheel eigen stijl ontwikkeld, waaruit maar weer blijkt dat in het Groothertogdom esthetiek nog altijd boven functionaliteit gaat. Het is heerlijk om tijdens een slapeloze nacht op een ternauwernood zeewaardige veerboot je telefoon te zien oplichten en teksten te lezen als ‘Celtic komt goed weg tegen Dynamo Moskou met dank aan scheidsrechter Medina Cantalejo’. ‘Malaga Airport groet Thailand-Noord’, als je inde verte de mist over de heuvels van Myanmar ziet trekken. Hulde voor Bas. En de rest is tweede geworden, zou Henny Huisman zeggen.
Ook veel dank voor de felicitaties die mij gisteren op mijn verjaardag via allerhande media bereikten. Een vreemde gewaarwording, jarig zijn in Bangkok, zonder bekenden om je heen. De laatsten van een langzaam uitdunnende groep die min of meer synchroon hun traject door Thailand afwerkte, hadden eerder die avond afscheid van me genomen en zaten nu te wachten op hun vliegtuig naar Parijs. En dus was ik voor het eerst sinds weken weer alleen, en deed m’n best me jarig te voelen.

Ik nam, op de stoep voor mijn hostel, de gelegenheid te baat om mijn reis tot zover maar eens even heel beschouwend en metafysisch te bespiegelen. De overgang van Indonesie naar Thailand bijvoorbeeld, en hoezeer ik me kort na aankomst in Bangkok al verbaasde over de orde die er heerste. Nu is Thailand voor wat betreft orde en rust nog altijd geen Oegstgeest, maar de verschillen met Indonesie waren overweldigend. In de bus van het vliegveld naar het stadscentrum zag ik auto’s in hun eigen baan rijden, verkeersregels respect genieten en stoplichten effect sorteren. Terugkijkend heb ik in Indonesie niet eenmaal in een auto gezeten waarvan de bestuurder op basis van zijn rijgedrag tijdens mijn rit in Nederland zijn rijbewijs niet zou zijn kwijtgeraakt. Persoonlijk dieptepunt was zonder twijfel de reis per minibus van Jakarta naar Yogyakarta. Het was, weet ik nu, sowieso een straf staaltje zelfoverschatting om te denken dat ik inmiddels avonturier genoeg was om de twaalf uur zonder problemen uit te zitten. Even op de tanden bijten, dacht ik. Totdat we vertrokken, met de vlam in de pijp de Javaanse nacht in. Ik zat ingeklemd tussen het raam en een corpulente Indo die zich iedere keer dat hij zich uitrekte nog wat omvangrijker bleek. Beenruimte nicht im frage. Nadat we de laatste voorsteden van Jakarta achter ons hadden gelaten, bereikten we een netwerk van eindeloze provinciale weggetjes. Ik probeerde mijn aandacht te richten op de dorpjes waar we doorheen raasden. Ik was doodop, maar een permanent stuiteren als gevolg van de nauwelijks geasfalteerde wegen maakte zelfs de lichtste sluimer onmogelijk. Het was pikdonker, en voor ons was nauwelijks meer te zien dan een eindeloze reeks onregelmatig bewegende lichtjes. Rode en wite, door elkaar. De rode haalden we in (links, rechts, of eerst links en daarna rechts) en de witte moesten we zien te ontwijken (links of rechts of hoe dan ook).
Was het echt zo erg, vraag ik me nu af, of overdrijf ik? Volgens mij was het echt zo erg en dan nog: over drijven hoor je niemand klagen op een zeeschip.

Maar goed, met die nacht die nooit leek te eindigen nog vers in het geheugen was Bangkok peanuts. En na Bangkok kwam Chiang Mai, waar de illustere Bart Meijer mij vergezelde tijdens een schitterende driedaagse door de Noord-Thaise jungle. Is het toeval dat Bart, die als penningmeester van LSVV vrijelijk des clubs geldstromen kan beheren, na terugkomst in Chiang Mai met een geld-speelt-geen-rol-achtige air direct een vlucht naar het zonnige Ko Samui boekte? En dat terwijl ik mezelf niet veel later weer terugvond op het slingerwegetje naar modern hippie-oord Pai, gelukkig wel terzijde gestaan door David, met wie ik de daaropvolgende weken door Thailand zou reizen? Ja dat is toeval. En ja Bart, ik zal m’n contributie zet es em overmaken.
David, Duitser, ambulancebroeder en technoliefhebber verdient een verhaal, nee een blog, nee een website op zich. Hij is zo’n beetje de Bowo van Keulen, maar dan met een scheiding. Geweldige vent.

In de trein van Bangkok naar Chumpohn was het warm en benauwd, maar in de restauratiewagen heerste een ongekende gezelligheid. Munchen in oktober, zoiets. Muziek op vol volume, ramen open, Chang Beer dat op het ritme van een middelmatig onderhouden spoorwegnet door de glazen klotst, en het boordpesoneel dat vrolijk meedrinkt. David, de sociale van ons tweeen, was al snel vriendjes geworden met een Thaise legerkapitein, en voerde met hem zo’n heerlijk, bijna klassiek gesprek tussen een Thai en een farang. Met een vocabulaire dat op maximaal 35 woorden overlapte voerden de twee een gesprek over de zin van het leven, en leken het nog eens te worden ook. Ik werd erbij gesleurd en de legerkapitein, die al sinds ons vertrek uit Bangkok borden groene curry en heupflesjes whiskey zat te legen, vulde nog maar eens de glazen. Ter hoogte van Hua Hin viel de Thaise muziek even stil, en maakte zowaar plaats vor John Denver. En daarna ABBA (Chiquitita) en daarna weer Jonh Denver. De legerkapitein was helemaal los en bleef ons maar whiskey voorschotelen. En toen die op was Chang, met ijs. De foto’s van zijn studerende dochters kwamen op tafel en werden ter plekke in de uitverkoop gegooid. Negen uur na ons vertrek minderde de trein vaar, maar we sloegen er nauwelijks nog acht op. Nog net op tijd realiseerden we dat we in Chumpohn waren en begonnen razendsnel onze spullen te verzamelen. We begonnen ons al richting uitgang te worstelen, maar de Thaise legerkapitein wees op onze glazen: die had hij ter afscheid voor de laatse maal bijgevuld en nam een houding aan die alleen Thaise legerkapiteins kunnen aannemen. Een houding van: als je dit glas weigert zal ik dat als een blijk van vernedering opvatten, en ik sluit niet dat Thailand op korte termijn de oorlog aan Duitsland en misschien ook wel Nederland zal verklaren. Duitsland kon me op dat moment niet zoveel schelen, maar voor de eer en glorie van mijn eigen vaderland heb ik ook dat laatste glas geleegd, zag David doen en wist samen met hem nog net op tijd de uitgang te bereiken.
De wereld is klein, hoor je vaak verzuchten. ‘En Thailand helemaal’, dat hoor je minder vaak maar feit is dat, een week na het begin van de jungletocht rond Chiang Mai, de voltallige groep van dertien personen elkaar weer trof, dik duizend kilometer zuidwaarts op het eilandje Ko Tao. Een feest van herkenning, ach ja, en wat volgde was een bontgekleurde vierdaagse langs de nachtelijke uitspanningen op het prachtige eiland. Als het ooit aandurf hier nog eens een verslag van te schrijven, zal dat zijn vanuit Australie. Aanstaande donderdag zitten mijn drie maanden in Azie erop, en betekent een vlucht van Bangkok naar Sydney het begin van ruim drie maanden down under.

Tot snel!

Yogyakarta

August 11, 2009
Bowo

Bowo

Dit is Bowo. Indonesier, veeertig jaar oud en neef van het echtpaar dat mijn hotelletje in Yogyakarta runt. In dit geval betekent ‘neef’ dat hij voornamelijk op ons stoepje hangt, hij op ons balkon zijn wijn drinkt en hij de gasten, mij dus, verwonderd met zijn schildertalent en merkwardige levensloop.

Bowo is ex-veelbelovende student, ex-echtgenoot van een Zwitsers meisje met racistische ouders, ex-bezitter van drie van zijn vier voortanden en ex-straatartiest in Zurich, Munchen, Boedapest en Praag, waar hij (ik heb zijn werk gezien) de meest fantastische portretten en semi-abstracte voorstellingen op batik maakte. Hij is ook ex-journalist te Jakarta, een bestaan dat eindigde toen hij, zoals zovelen, een te grote luis in de pels van de toenmalige president Suharto en diens partij werd. En ook: ex-aan de kaak steller van corrupte en sadistische politiekorpsen. Het zal wel door mijn naieve burgerbestaan in Nederland komen, maar ik ben geneigd Bowo’s Wild-Oost verhalen te geloven.
Tussen twee slokken via ondergrondse aanvoerlijnen verkregen wijn hoor ik hoe een amoureuze escapade van zijn toen 21-jarige ex-vrouw eindigde met een scene waarin Bowo oog-in-oog stond met haar veronderstelde minnaar. Een Indonesier en een Fillipino, beiden met getrokken kris (traditioneel Aziatisch steekwapen, red.) op het toilet van een dim-sum restaurant te Zurich. Vrouwlief in alle staten, huwelijk ten einde. Dat ik deze anekdote voor waar aannam, komt waarschijnlijk door het vermoeden dat ik nooit meer een Indonesier zo mooi Schweizerdeutsch zal horen spreken.
Ondertussen, na weer een slok wijn, gaat het over het artikel waarin hij de sadistische uitwassen van de politie in Jakarta aan de kaak wilde stellen, en hoe hem dit van hogerhand werd verboden. In het stuk wilde hij melding maken van het type verwonding dat veel ‘kleine’ politieke dwarsliggers en straatcriminelen vertoonden na te zijn verhoord door de politie: een schotwond door de achillespees. Op een nacht in 1995, vlak voordat het artikel zou worden gepubliceerd, werd Bowo van zijn bed gelicht en werd hem niet vriendelijk maar wel dringend verzocht fors te schrappen in zijn stuk. In het uiteindelijke, gecensureerde verhaal viel te lezen hoe de arrestanten ‘op de vlucht’ in de voet waren geschoten door ‘adequaat handelende agenten’. Ieder weldenkend mens beseft dat zelfs Willem Tell niet zo veelvuldig tot een dergelijke accuratesse in staat zou zijn geweest, maar het is wel de versie die uiteindelijk in de krant heeft gestaan.

Maar de wilde jaren zijn voorbij. Nu is Bowo een onbegrepen kunstenaar. Verslaafd aan alcohol, hash en magic mushrooms slijt hij zijn dagen in de steegjes van Yogyakarta. Toen hij me over zijn genotmiddelengebruik vertelde, moest ik even denken aan de stempel die de douanier in Jakarta twee maanden geleden in mijn paspoort zette: death penalty for drug traffickers. Een gemiddelde nacht in Bowo’s atelier lijkt me goed voor minstens tweemaal levenslang. Nu en dan ontspringt er, als resultaat van een geinspireerde nacht, een geslaagd doek aan zijn vingers, maar verder gloort er weinig hoop. Een ex en een zoon in Zwitserland, zijn huidige vrouw met hun twee kinderen ver weg in Jakarta. Geldgebrek, liefdesverdriet, gemis. Van Gogh zou zich voor minder een oor hebben afgesneden.

(om privacyredenen is de naam van de betrokkene gefingeerd)

Padangbai, Candidasa en Ubud

August 1, 2009

Na achtereenvolgens in Padangbai (lieflijk), Candidasa (deprimerend), Ubud (vermakelijk) voor korte of lange tijd te hebben geresideerd, sloot ik mijn reis door Bali af in Kuta.

Kuta, de plek waar je eigenlijk niet hoort te zijn. Het toeristische zwaartepunt van Bali en het meest exibitionistische stukje Indonesie. Alles is hier te vinden, behalve dat wat je thuis niet hebt. Dat wat Bali mooi en lelijk maakt verenigd zich in Kuta. Vanaf het dakterras van mijn hotel hoefde ik aan het eind van de dag maar naar rechts te kijken om de schitterendste zondsondergang te zien. Links van me, in het westen, was het dan al donker. Daar richtten de discotheken hun lichtbundels in de lucht, en lieten die om elkaar heen draaien als voelsprieten die het begin van weer een uitbundige tropennacht aftastten.
Hoewel becaks op Midden- en West-Java nog altijd het straatbeeld bepalen en de Ronda van Sulawesi de laatste jaren aan media-aandacht wint, heeft de wielersport nog altijd geen voet aan de grond gekregen in Indonesie. Groot was dan ook de moeite die ik mij heb moeten betrachten om levende beelden van Tour de France te zien. Kuta -waar anders- was waar het me uiteindelijk lukte. Zaterdag 25 juli, de etappe naar de Mont Ventoux, live ende rechtstreeks in Bar Enam Sembilan (raadpleeg voor een vertaling van de Freudiaanse ethymologie achter deze naam www.toggletext.com).
Een grote, vrij volle kroeg. Vijf van de zes tv-toestellen toonden dezelfde Australian Rules-wedstrijd; bonkige Ozzies lieten het bier rijkelijk aanrukken door barmeisjes die de ijzeren wetten van het niet-door-het-beeld-lopen-als-het-spannend-is wonderwel kenden. De sfeer: ontspannen luidruchtig. Aan de bar praatten mannen met snorren en cowboyhoeden over hun echtgenotes, of het leven dat niet meevalt.

De zesde tv stond achter in een hoek, en leek slechts voor noodgevallen bedoeld. Er had zich een opmerkelijk groepje dissidenten omheen verzameld, starend naar een kopgroep in een Frans Alpenlandschap. Zo was daar de man die recht voor de tv zat, gehuld in een, geloof het of niet, volledige wieleroutfit in de kleuren van de Griekse vlag. Uit de hoeveelheid lege flesjes voor zijn neus viel op te maken dat hij er al sinds de middag zat, en dat de barmeisjes in deze hoek niet zo dartel tussen de tafels manoeuvreerden om glaswerk op te halen. De Griek, want we mogen toch aannemen dat dat zijn nationaliteit was, maakte een bijzonder zenuwachtige en explosieve indruk. Aan de zijkant, in de luwte, zaten twee Scandinavische jongens die, zoals het Scandinaviers betaamt, zwijgend de etappe aanschouwden. En dan was er nog de enorme gestalte van een Zuid-Europees ogende spierbundel, geflankeerd door (prognose mijnerzijds) Miss Bali 2011. In de anderhalf uur van mijn aanwezigheid heb ik haar vier keer haar lippenstift zien bijwerken en hem drie borden nasi naar binnen zien metselen.
Enfin, de etappe werd langzaam spannend en we zaten er lekker in met z’n allen. De Scandinaviers niptend zuinigjes aan hun cocktails, de Zuid-Europeaan leunde na weer een bord nasi tevreden achterover en sloeg een scheepskabel van een arm om zijn tengere inheems wederhelft, en de Griek zat met zijn hoofd zowat in de tv. Zenuwachtig omklemde hij zijn bier en keek hij nu en dan geagiteerd achterom naar de luidruchtige Australiers, die inderdaad langzaam hun gevoel voor decorum aan het verliezen waren. Bij iedere demarrage of contra-attack veerde de Griek op en slaakte een kreet die het midden hield tussen ontzetting en enthousiasme.
Plotseling, halverwege de slotklim, ging het beeld op zwart, om enkele angstvallige seconden later over te schakelen op de footballwedstrijd die ook op alle andere schermen al te zien was. De groep reageerde met gematigd geweeklaag. Zoniet de Griek. Hem werd het allemaal teveel. Met een ruk stond hij op en zond woest een stortvloed van verwensingen in de richting van een barmeisje dat toevallig in de buurt stond. Ze knipperde beduusd met haar ogen en ik zag dat ze een button met ‘Trainee’ droeg. De kroegbaas, die even verderop met de afstandbediening stond, sloeg het tafereel lachend gade, tot groot vermaak van de Australiers die hem tot zappen hadden aangezet. Even moest ik denken aan die scene uit One Flew over the Cuckoo’s Nest, waarin Randall McMurphy van de sadistische hoofdzuster niet naar het honkbal op tv mag kijken. Hierop fantaseert hij op legendarische wijze zijn eigen wedstrijdverslag, en wint zo de psychologische oorlog. Ik zag het de Griek helaas nog niet doen.
Gelukkig zapte de kroegbaas snel terug naar de Mont Ventoux en zagen wij de ontknoping van de etappe. Het was al bijna middernacht toen het Classement General Provisoire in beeld verscheen. Onze wielervrienden liepen de warme tropennacht in en ach, eigenlijk had iedereen een fijne avond gehad.

Van de slotetappe de volgende dag heb ik niets gezien: toen bevond ik me in een bus halverwege Denpasar en Yogyakarta. En de boordtelevisie beperkte zich tot karaoke.

Joppe op de boot

Op de boot

Sayang Sayang, Lombok

July 17, 2009

Een laatste herinnering aan Lombok, na afgelopen maandag per veerboot de oversteek naar Bali te hebben gemaakt:

Op de avond voor vertrek neem ik afscheid van de kinderen in het weeshuis. Ooit hebben ze allemaal een schriftje gekregen, een ‘dagboek’, waarin ik als vertrekkende vrijwilliger een afscheidsgroet en een gelukwens mag krabbelen. Het doorbladeren van de boekjes leert me dat het ene nog vrijwel onbeschreven is, het ander woeste schetsen van allerhande oorlogstuig bevat en weer een ander, zoals dat van Diana, ook daadwerkelijk als dagboek wordt gebruikt. De foto’s en tekstjes van eerdere vrijwilligers maken begrijpelijk waarom het soms moeilijk is om echt in contact te komen met de kinderen. Uit een soort zelfbescherming sluiten ze niet al te hechte vriendschappen met de vrijwilligers, die toch vooral passanten zijn, die komen en ook weer gaan.

Diana, een prachtig meisje met een zelfbewuste en ondanks haar veertien lentes bijna aristocratische houding, gebruikt haar schriftje om haar dagelijkse frustraties, vrolijkheden en eenzaamheden op te schrijven. Het feit dat ze haar stukjes in het Engels schrijft, doet vermoeden dat het juist de bedoeling is dat mensen zoals ik zich door haar zieleroerselen laten vertederen. (Of is dit het cynisme van de onttoverde westerse wereld?). Diana schrijft over heimwee en hoe ze ‘s nachts in het weeshuis niet kan slapen. Heimwee, telkens weer – ‘me homesick’.
Wat me echt ontroert is de typische meisjesjaloezie die her en der doorschemert. Haar al bijna even mooie leeftijdsgenootje Tuti wordt vervloekt, haar foto’s doorgekrast. Diana beschrijft haar (gespeelde?) afgunst als een nieuwe Nederlandse vrijwilliger net iets meer aandacht voor Tuti dan voor haar blijkt te hebben. Precies dezelfde jaloezie, maar dan in omgekeerde richting, tref ik even later in het schriftje van Tuti.

En de wonderlijke climax volgt als ik, terwijl ik mijn afscheidswoorden schrijf, Diana en Tuti als twee hartsvriendinnen buiten op de veranda zien zitten. Niet veel later kloppen ze op mijn raam en vragen met vier grote smekende ogen of ze mijn I-pod mogen lenen.

(Om privacyredenen zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd)

IMG_1787IMG_1832

Sayang Sayang, Lombok (4)

July 11, 2009

Om zoveel mogelijk in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, zoekt het weeshuis Yayasan Syafa’at op verschilende manieren naar inkomstenbronnen. Zo exploiteert men met wisselend succes een restaurant en een zwembad, en worden er dansvoorstellingen in het openluchttheater gehouden. Sinds kort is er een groepje Indonesische studenten dat, tegen een vergoeding die hun hogeschool betaalt, dagelijks Nederlandse les krijgt van de vrijwilligers in het weeshuis. Het verhaal wil dat de studenten is beloofd dat als ze binnen een maand tijd de Nederlandse taal voldoende beheersen, ze stage mogen lopen bij een heuse chocoladefabriek in Den Haag. De doorgewinterde Roald Dahl-lezer zal nu waarschijnlijk een aha-erlebnis ondergaan en inderdaad, ook ik verwacht telkens weer dat Willy Wonka zelve de les binnenstormt om, energiek zwaaiend met zijn wandelstok, zijn oempaloempa’s aan een keuring te onderwerpen.
Hoe het ook zij, de studenten zijn bijzonder gemotiveerd en hebben een eindeloos ontzag voor de docent. Waar zie je dat nog tegenwoordig? Groot was dan ook de verslagenheid toen ik gisteren vertelde dat ik maandag het weeshuis zal verlaten en de oversteek naar Bali zal maken. Ongeloof. Puur, oprecht ongeloof.
‘Verdrietig,’ stamelde Asni een twee dagen eerder geleerd woord.
‘Onrechtvaardig!’ riep Zul, altijd al een jongen van de grote woorden en de scherpe oneliner.
‘Kenapa kami? (Why us?) Kenapa sekarang? (Why now?), murmelde Ratna, de blik naar de grond gericht.

Ondanks het feit dat de studenten allen tussen de 25 en 35 jaar oud zijn, is de sfeer overwegend jolig en de humor vaak kinderachtig. Met name dit laatste blijkt uit het volgende voorbeeld. De onvermijdelijke dag brak namelijk aan dat we tijdens de les het menselijk lichaam zouden behandelen. Een van mijn medevrijwilligers had zich een dag eerder wijselijk beperkt tot het benoemen van de onderdelen van het gezicht, de rest van het lichaam liet ze aan mij. Ik stond die dag in dubio voor het bord. Hoe ver moest ik in detail treden? All the way was, zo wist ik, voor deze studenten een brug te ver. Om de brugklasachtige puberhumor enigszins enigszins te beteugelen voorzag ik het model dat ik op het bord tekende van kleding. Had ik dat niet gedaan, dan was de zaak al meteen verloren geweest. Maar dan… weer die twijfel.
Verman je, aldus berispte ik mezelf. Moet de wetenschap lijden onder mijn gene? Neen! Ik ben een jongen van de Verlichting, kind van de Renaissance. Vive la revolution!
En dus somde ik de Nederlandse namen van armen, benen, handen en voeten op, en probeerde ik zo achteloos mogelijk over te gaan op de mededeling dat een man in Nederland 1 borst heeft, en een vrouw 2. Nadat ik dit, grafisch ondersteund, op het bord had geschreven, wilde ik me omdraaien om de reactie van de groep te monsteren. Maar nog tijdens mijn draai brak de hilariteit in alle hevigheid los. Alle studenten lagen onder hun stoel van de pret en bleken het navolgende kwartier niet tot bedaren te brengen.

Conclusie: Lombok is nog niet klaar voor de Verlichting.

Gili Trawangan, Lombok

July 11, 2009

Als een Oost-Berlijner die zich na de val van de Muur voor het eerst in de westelijke stadsdelen waagt. Schoorvoetend, nieuwsgierig en overdonderd door de ongekende bewegingsvrijheid, zowel in fysieke als ideologische zin. Met dat gevoel moeten mijn eerste voetstappen op het strand van Gili Trawangan vergelijkbaar zijn geweest.
Naast het door armoede en religieuze restricties van een vermaakscultuur verstoken gebleven Lombok vormen de Gili’s, drie koraaleilandjes voor de noordoostkust, een sterk contrasterend oord van hedonisme en westerse vrijblijvendheid. Met name op Gili Trawangan wordt de heersende moraal met voeten getreden. Plotseling zijn daar de bekende taferelen van bleke Europeanen die, blondgelokt en schaarsgekleed, met een cocktail langs de authentiek nagebouwde hutjes op het strand slenteren. Scandinaviers die hun frustraties over de hoge alcoholaccijnzen in eigen land botvieren op het lokale brouwsel Bintang Beer; Duitse jongeren die zich, ondanks de gillende hitte, in stemmig vaalzwart hullen en door het zand sloffen alsof ze het gewicht van de wereld op hun schouders meetorsen; de onvermijdelijke Nederlanders die glunderend een feest van herkenning vieren bij de al even onvermijdelijke Hollandse broodjeszaak. Gelukkig gebeurt alles in een waardig tempo, en zonder agressie of onrust. Een politiepost kent het eiland niet en motorvoertuigen zijn er verboden.

Tijdens de heenreis, noordwaarts van Cakranegara naar het haventje in Bangsal, voerde de taxi ons door het Monkey Forest. In de heuvels van noordoost Lombok schijnen makaken te leven, dus bij de heerste glooiingen in het landschap drukte ik me verwachtingsvol tegen het raam. Ik hoopte, deo volente en Insjallah, een glimp op te kunnen vangen van een behendig van tak naar tak slingerende aap, wilde oerblik in de ogen en een banaan in de bek. Ik kwam bedrogen uit. De bewoners van het Monkey Forest zijn verveelde, sloom in het niets starende apen die in werkelijk iedere bocht in grote drommen ongeinspireerd tegen de vangrail leunen.

De gebruikelijke manier om de oversteek naar de Gili’s te maken is per vissersbootje, dat pas vertrekt als er niemand meer bij kan. De opstapplaats aan Lombokzijde ligt in het dorpje Bangsal, en in recente jaren hebben plaatselijke sjaggeraars zich dermate gespecialieerd in kleine corruptie en het via ter plekke verzonnen havenbelastingen rupiahs afhandig maken van toeristen, dat de Bangsal Maffia een begrip is geworden op heel Lombok. Ik wist mij gelukkig vergezeld van een ervaren reisgenoot, en heb de rupiahs dus andermaal op zak kunnen houden.

Toen die avond het feestgedruis in de Ierse Pub op Gili Trawangan haar climax naderde, ben ik door de struiken het verlaten strandje opgeslopen. Enkele meters achter mij het vertier, enkele meters voor me de zee en aan de horizon de contouren van Bali. Dit laatste zou ook gezichtsbedrog  kunnen zijn. Ik las ooit over een overpeinzing die mij op dat moment erg relevant leek.
De redenering ging als volgt: neem op een strand eens een handvol zand en kijk naar de miljoenen zandkorrels in je hand. (Hoe harder je knijpt, des te sneller loopt het zand uit je hand: dat alleen al mag een mooie metafoor voor wat dan ook in het leven zijn, maar daar ging het nu niet om.) Gooi die hand zand nu in zee, tegen de wind in liefst, en zie hoe hij uiteen waait. Hoe groot is nu de kans dat diezelfde selectie van enkele miljoenen zandkorrels ooit weer samen een hand zand vormt? Vrij klein, dunkt mij. Verwaarloosbaar, dunkt een ander misschien. Maar toch, die kans is niet kleiner dan de kans dat, gemeten vanaf de oerknal, datzelfde groepje zandkorrels precies naast elkaar kwam te liggen op een strand, alwaar een amateurfilosoof ze de moeite van het oppakken waard vond. En toch is ook dat gebeurd.
Ik ben vergeten in welk boek dit stond. Het klinkt als Mulisch, al had die waarschijnlijk sterrenstelsels of overleden Russische schrijvers als voorbeeld gebruikt. J.C. Bloem, die dichter die dicht over ‘t verstild verlangen en de heimelijke hang naar meer, zou er een treffend sonnet over hebben geschreven. En nu we toch bezig zijn: hoe groot is de kans dat op dit stukje Indonesisch strand er ooit wel eens iemand aan J.C. Bloem heeft gedacht? Op dat moment leek het mij beter om me weer onder de mensen te begeven.

Twee dagen later, als ons bootje weer aanmeert in Bangsal en ik met natte voeten het strand oploop, giet een jongetje ongevraagd een flesje zeewater over mijn voeten. Er moet hem ooit iemand verteld hebben dat westerlingen een hekel hebben aan zand aan hun voeten, en nu hoopt dit aspirant-lid van de Bangsal Maffia op duizend (7 eurocent) van mijn rupiahs.

Sayang Sayang, Lombok (3)

July 1, 2009

Yayasan Syafa’at, de Stichting Weeshuis Lombok, ligt even buiten het plaatsje Sayang Sayang, een paar kilometer ten noordoosten van Mataram. De vijftien kinderen die er permanent wonen hebben het er goed en leiden een veilig en regelmatig leven. Hun verhalen zijn divers, maar vaststaat dat ze er allemaal een bewogen kindertijd op hebben zitten. Enkelen zijn wees, anderen min of meer verstoten uit ruziende of gescheiden families. Wat eigenlijk voor iedereen geldt is dat armoede een dagelijks en allesomvattend probleem vormde voordat ze werden opgenomen in het weeshuis. Hoewel westerse luxe er nauwelijks bestaat, zijn de meeste middelen tot geluk en een behoorlijke toekomst voorhanden. Voldoende eten, school, bescherming en bovendien altijd voldoende speelkameraadjes in de buurt.
Gevolg van hun onrustige jongste jaren is dat de kinderen erg volwassen zijn, en hebben geleerd zich te vermaken zonder veel hulp van buitenaf. Het zijn kleurrijke, vrolijke kinderen die qua karakters een schaalmodel van een volledige basisschool vormen. Alle schakeringen zijn vertegenwoordigd, van de stoere puberjongen tot het energieke meisje dat met de kikkers praat; van stil en intelligent tot uitgelaten en brutaal. Zelfs onderlinge verliefdheden kunnen worden opgetekend. Tranen vloeien slechts heel zelden, en dan nog in de beslotenheid van de eigen kamer. Deze zelfstandigheid heeft als gevolg dat de rol van een Nederlandse vrijwilliger nooit doorslaggevend voor geluk en orde is, maar meer  een soort vermakelijke bonus.

Dit gezegd hebbende dien ik enkele cultuurrelatieve kanttekingen te plaatsen. Een eerste behelst de drie elkaar tot ongekende vurigheid ophitsende moskeeen, die des ochtends rond vier uur iedere slaap gedurende anderhalf uur onmogelijk maken. Wildcanonerend gezang met een apocalyptische intonatie resoneerd over de velden als het daagt in het oosten.
Een tweede betreft het rantsoen, waarmee ik een haat-liefdeverhouding onderhoud. Met tussen de oren een nagalmend Allah Akhbar wordt de dag begonnen met rijst en groente. Voedzaam, dat zeker, maar dan moet je het wel naar binnen krijgen. De lunch bevat meestal dezelfde componenten, al voegt men dan graag een extra smaakmaker of een op onduidelijk manier aan z’n eind gekomen visje toe. ‘s Avonds idem. Gelukkig went alles.
Tenslotte was er nog het voorbeeld van Idi, de vijfentwintigjarige medewerker van het weeshuis die me vertelde over zijn studie Engels aan de universiteit van Mataran. Een lach van oor tot oor beantwoorde mijn vraag of hij niet graag in de toekomst in Engeland zou willen wonen. Hij had er al van gedroomd, van Europa. Hij had in helikopter boven Vaticaanstad gevlogen alles gaf licht. Nu heb ik kort voor mijn vertrek uit Nederland (in goed gezelschap) de film Angels & Demons gezien, en had Idi kunnen melden dat in Vaticaanstad het ook niet bepaald pais en vree is, zelfs niet voor helikopters, maar ik heb me beheerst en lachte terug.

Sayang Sayang (2)

July 1, 2009

Wedstrijdverslag van de oefenwedstrijd Shirts vs Geenshirts (5-5), gespeeld in het kader van de Piet Masmeijer Wisselbokaal

Shirts:
Apis————- 7 –Wordt dit dan zijn jaar?
Misrun———- 6 –Dravertje. Mist inzicht doch erg goedlachs.
Munawar——- 8 –Kreeg weer eens speeltijd, viel niet tegen.
Sarimun——– 6 –Krabben, bijten, duwen, trekken: Sarimun.

Geenshirts
Atta ———— 9 –Motta. Publiekslieveling, toe aan topclub.
Gloerich——–5–Wil heel graag, kan heel weinig.
Ary————–6–Lefgozertje; Pietje Bell-achtig.
Resi————-8–Resi hem maar eens voorbij te komen.

Scheidrechter:
Pa Senen (geb. 1936)——–Hield de kaarten op zak. Volwassen gefloten.

Toeschouwers:
Twee katten en Ibu Senen. (Keerden allen in de rust huiswaarts)


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.